ECLI:NL:CRVB:2005:AT1550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing
Appellant, geboren in 1976, meldde zich in december 1999 ziek met psychische klachten. Na onderzoek door verzekeringsarts Ramautar en arbeidsdeskundige Bijl werd geconcludeerd dat appellant psychische beperkingen had sinds de vroege jeugd, maar geen fysieke beperkingen die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater, Van Eyk, die de eerdere conclusies bevestigde en stelde dat appellant geschikt was voor geselecteerde functies.
Appellant voerde aan dat niet was onderzocht of zijn laatst verrichte werkzaamheden passend waren en dat de toekenning van ziekengeld de verwachting schepte van een WAO-uitkering. Ook wees hij op psychiatrische stoornissen zoals ADHD en agressiebeheersingsproblemen. De Raad oordeelde dat het onderzoek voldoende was en dat het bestreden besluit medisch en arbeidskundig goed onderbouwd was.
De Raad volgde het onafhankelijke deskundigenoordeel en verwierp het beroep van appellant. De rechtbank had het beroep eerder al ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en wees het beroep af, waarmee de weigering van de WAO-uitkering stand hield.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.