ECLI:NL:CRVB:2005:AT1652

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/247 ALGEM + 04/248 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bevoegdheid en afwijzing hoger beroep tegen besluiten UWV

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin werd geoordeeld dat de gedaagde bevoegd was om het verzoek om terug te komen op eerdere besluiten af te wijzen. De besluiten betroffen onder meer de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar tegen correctienota’s over de jaren 1997 tot en met 2000 en de weigering van uitstel van betaling.

De Raad stelt vast dat appellante in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten heeft ingebracht en dat de aangevoerde bezwaren een herhaling zijn van eerdere argumenten. De Raad overweegt dat het niet aankomen van een brief waarin om uitstel werd verzocht, voor risico van de verzender komt en dat het niet aan gedaagde of de rechtbank is om onderzoek te doen naar de reden van het niet ontvangen van deze brief.

Verder oordeelt de Raad dat de rechtbank geen beginselen van hoor en wederhoor of andere algemene rechtsbeginselen heeft geschonden door direct uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er zijn geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de bevoegdheid van gedaagde en wijst het hoger beroep van appellante af.

Uitspraak

04/247 ALGEM
04/248 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellante is door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 11 december 2003, onder kenmerk 03/1957 en 03/2233, door de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 februari 2005, waar partijen met voorafgaand schriftelijk bericht niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een overzicht van de feiten naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde bevoegd was om onder verwijzing naar zijn eerdere besluiten het verzoek om terug te komen van het besluit van 17 maart 2003, waarbij appellante niet-ontvankelijk is verklaard ten aanzien van haar bezwaar gericht tegen de correctienota’s over de jaren 1997 tot en met 2000, en het verzoek om terug te komen van het besluit van 15 april 2003, waarbij uitstel van betaling is geweigerd, af te wijzen, terwijl niet gebleken is dat gedaagde op een onjuiste wijze van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
De Raad stelt vast dat de in hoger beroep van de kant van appellante aangevoerde bezwaren in essentie een herhaling zijn van hetgeen in het geding in eerste aanleg is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn daarbij van de kant van appellante niet naar voren gebracht.
De Raad is van oordeel dat de bezwaren van appellante niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten en overweegt in dit verband dat hij de overwegingen die de rechtbank aan de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd, tot de zijne maakt. Ten aanzien van hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot het niet aangekomen verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden merkt de Raad op dat het niet aangetekend verzenden van de brief van 31 januari 2003 voor risico van de verzender komt en het niet aan gedaagde of aan de rechtbank is om onderzoek te doen naar de reden waarom deze brief niet ontvangen is.
Voorts is de Raad van oordeel dat de rechtbank, gebruik makend van zijn bevoegdheid om direct uitspraak te doen in de hoofdzaak, niet het beginsel van hoor en wederhoor of enig ander algemeen rechtsbeginsel heeft geschonden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) W.J.M. Fleskens.