ECLI:NL:CRVB:2005:AT2054

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3452 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 105 tweede lid AnwWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenAlgemene wet bestuursrecht artikel 8:75
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Nederlands weduwenpensioen wegens ontbreken verzekeringstijdvakken

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van de Sociale verzekeringsbank om haar een weduwenpensioen toe te kennen op grond van de Algemene Weduwen en Wezenwet (AWW). Haar echtgenoot was op het moment van overlijden in Turkije verzekerd bij de Bag-Kur en ontving daar een Turks weduwenpensioen. Appellante stelde dat haar echtgenoot tussen 1969 en 1972 in Nederland had gewoond en gewerkt en dat op grond van het sociale zekerheidsverdrag tussen Turkije en Nederland aanspraak op een Nederlands weduwenpensioen bestond.

De Raad stelde vast dat appellantes echtgenoot volgens nationaal recht niet verzekerd was ten tijde van zijn overlijden en dat appellante geen aanspraak kan maken op een weduwenpensioen krachtens de AWW. Uit het onderzoek van de Sociale verzekeringsbank bleek bovendien niet dat de echtgenoot in Nederland verzekeringstijdvakken had vervuld, en appellante kon dit ook niet met bewijs onderbouwen.

Daarmee kon geen toepassing worden gegeven aan het verdrag inzake sociale zekerheid tussen Turkije en Nederland die een pro rata weduwenpensioen zou kunnen rechtvaardigen. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit van de Sociale verzekeringsbank. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 4 maart 2005.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.

Uitspraak

03/3452 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2003, reg. nr.
AWB 02/2444 AWW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 januari 2005, waar appellante -met voorafgaand bericht- niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 juli 1996 is in werking getreden de Algemene nabestaandenwet (Anw), welke wet in de plaats is getreden van de Algemene Weduwen en Wezenwet (AWW). Ingevolge artikel 105, tweede lid van de Anw blijven de AWW en de daarop rustende bepalingen van toepassing op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor 1 juli 1996.
Appellantes echtgenoot is op 28 maart 1990 overleden. In verband hiermee heeft appellante bij gedaagde een aanvraag om een weduwenpensioen krachtens de AWW ingediend.
Bij besluit van 1 mei 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn weigering om aan appellante een weduwenpensioen ingevolge de AWW toe te kennen gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat appellantes echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de AWW en dat er evenmin recht bestaat op een (pro-rata) weduwenpensioen op grond van het verdrag inzake sociale zekerheid tussen Turkije en Nederland.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar echtgenoot van 1969 tot en met 1972 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Ten tijde van zijn overlijden was hij in Turkije verzekerd bij de Bag-Kur. De Bag-Kur heeft aan haar een Turks weduwenpensioen toegekend. Appellante wenst dat op grond van het verdrag inzake sociale zekerheid tussen Turkije en Nederland aan haar ook een Nederlands weduwenpensioen wordt toegekend.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellantes echtgenoot ten tijde van zijn overlijden naar nationaal recht bezien niet verzekerd was, zodat appellante aan het bepaalde bij of krachtens de AWW geen aanspraak kan maken op een weduwenpensioen.
De Raad stelt voorts vast dat uit het door gedaagde ingestelde onderzoek niet is gebleken dat appellantes echtgenoot ooit in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Appellante heeft haar stelling terzake ook niet met enigerlei stukken kunnen onderbouwen. Nu niet gebleken is van door appellantes echtgenoot in Nederland vervulde verzekeringstijdvakken valt er geen bepaling van internationaal recht aan te wijzen op grond waarvan appellante aanspraak kan maken op een (eventueel pro rata) Nederlands weduwenpensioen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.