ECLI:NL:CRVB:2005:AT2113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- C.P.M. van de Kerkhof
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplicht bij minderheidsaandeelhouders en directeuren
Appellante, een transport- en expeditiebedrijf, stelde dat de heren vader en zoon als gezamenlijk ondernemers zonder gezagsverhouding werkzaam waren, waardoor geen privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplicht zou bestaan. De Raad verwijst naar de aandeelhoudersstructuur waarin de heren een minderheidsbelang hadden en konden worden geschorst of ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders (ava).
De Raad oordeelt dat het bestaan van een gezagsverhouding mede wordt bepaald door de mogelijkheid tot schorsing en ontslag door de ava. Ondanks de gezamenlijke ondernemerschapsoverwegingen en de rol van de financier, [naam aandeelhouder], blijft het feit dat de ava beslissingsbevoegdheid heeft over het ontslag van de heren doorslaggevend.
De Raad wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af wegens gebrek aan ondubbelzinnige uitlatingen van gedaagde. Ook is geen sprake van een bedrijfsovergang in de relevante periode, aangezien de koopoptie op aandelen niet is uitgeoefend en de situatie tot 2006 voorzien was.
Hierdoor bevestigt de Raad de eerdere uitspraak dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met verzekeringsplicht vanaf 1 september 2000 tot 5 september 2002.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met verzekeringsplicht vanaf 1 september 2000.