ECLI:NL:CRVB:2005:AT2119

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6537 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit premienota wegens ondeugdelijke administratie en onjuiste schatting

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin de opgelegde premienota in stand werd gehouden. De zaak betreft een controle bij het tuinbouwbedrijf van appellant waarbij twee betrokkenen werden aangetroffen. Gedaagde had premies vastgesteld op basis van een schatting vanwege het ontbreken van een deugdelijke loonadministratie.

De Raad overwoog dat voor betrokkene 1 voldoende feiten en omstandigheden vaststonden waaruit blijkt dat hij werkzaamheden voor appellant verrichtte, en dat de schatting van de premies op een verantwoorde wijze was gedaan. Het risico van een te hoge schatting kwam voor rekening van appellant vanwege het ontbreken van een correcte administratie.

Ten aanzien van betrokkene 2 oordeelde de Raad anders: er was onvoldoende bewijs dat hij premieplichtige werkzaamheden verrichtte. De verklaringen waren consistent en toonden aan dat hij slechts gevraagd was voor een klus die niet in eigen beheer werd uitgevoerd. De Raad vond dat gedaagde onvoldoende onderscheid had gemaakt tussen de betrokkenen.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat gedaagde een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en gedaagde wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit en betaling van proceskosten.

Uitspraak

03/6537 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift van 29 december 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 12 november 2003, kenmerk 02/3537, tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. V.J.P. de Waal, rechtskundig adviseur te Rotterdam en P. [betrokkene 2] als mede gemachtigde, terwijl gedaagde met voorafgaand schriftelijk bericht niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Op 27 juni 2000 is door het Westland Interventie Team een controle uitgevoerd bij het tuinbouwbedrijf van appellant. Bij deze controle werden onder andere [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: betrokkenen) aangetroffen, terwijl appellant betrokkenen niet aan gedaagde heeft verantwoord. Na een vervolgonderzoek is gedaagde overgegaan tot het ambtshalve vaststellen van de verloning van betrokkenen en heeft over deze bruto-lonen de premies sociale verzekering en regelingen berekend, zoals vastgelegd in de correctienota over het premiejaar 2000.
Bij het besluit van 22 november 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen genoemde nota ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de opgelegde premienota in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank, mede gelet op het gegeven dat de later in de procedure ingebrachte verklaringen in onderlinge samenhang bezien niet consistent en deels tegenstrijdig zijn, overwogen dat appellant in onvoldoende mate heeft bestreden dat betrokkenen werkend zijn aangetroffen. Bij gebreke aan exacte en betrouwbare loongegevens mocht het bestuursorgaan de premies bij benadering vaststellen. Indien daarbij de wijze van berekening niet geheel overeenkomstig de werkelijkheid zou zijn kan dit bij gebreke aan een deugdelijke administratie niet het bestuursorgaan worden tegengeworpen.
Appellant bestrijdt in hoger beroep dat ten aanzien van betrokkenen verzekeringsplicht zou bestaan alsmede de omvang van de betalingsverplichting aangezien betrokkenen na de controle op 27 juni 2000 niet meer op het bedrijf zijn geweest.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden zoals die uit de stukken en het verhandelde ter zijner zitting blijken genoegzaam kan worden vastgesteld dat [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) voor appellant werkzaamheden heeft verricht, hetgeen ook niet door appellant ontkend wordt. Gedaagde heeft aan de hand van de uit zijn onderzoeken bekend geworden gegevens berekend in welke omvang loon buiten de loonadministratie is gehouden. De Raad vindt geen aanleiding voor het oordeel dat gedaagde bij de schatting ten aanzien van [betrokkene 1] niet tot een verantwoorde berekeningswijze is gekomen. Het risico dat de schatting heeft geleid tot een te hoog bedrag aan verschuldigde premie komt voor rekening van appellant, nu hij heeft nagelaten een deugdelijke administratie te voeren.
Ten aanzien van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) is de Raad tot een ander oordeel gekomen. Niet gebleken is dat [betrokkene 2] relevante op geld te waarderen monteurswerkzaamheden ten behoeve van appellant heeft verricht. De Raad overweegt daarbij dat [betrokkene 2] gevraagd was te helpen bij een specifieke klus die uiteindelijk niet in eigen beheer is uitgevoerd. Anders dan bij [betrokkene 1] zijn de verklaringen ten aanzien van [betrokkene 2], omtrent diens aanwezigheid op het terrein van appellant, consistent en eenduidig. De Raad kan niet anders vaststellen dan dat gedaagde bij het verzekeringsplichtonderzoek betrokkenen over één kam heeft geschoren, terwijl daarbij onvoldoende aandacht geschonken is aan de specifieke individuele verschillen ten aanzien van de aanwezigheid en de aard en omvang van de werkzaamheden van betrokkenen. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de gedingstukken geen toereikende grondslag bieden voor het oordeel dat gedaagde zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van [betrokkene 2] sprake was van premieplichtige loonbetalingen.
Tot slot merkt de Raad op dat hij niet op het verzoek van appellant kan ingaan om zich uit te laten over de kosten van incasso, aangezien dat geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige geding.
Vorenstaande overwegingen leiden ertoe dat het bestreden besluit en in het voetspoor daarvan de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in eerste aanleg en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot in totaal € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van in totaal € 116,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) W.J.M. Fleskens.
MvK10035