ECLI:NL:CRVB:2005:AT2594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voortdurende vrijheidsontneming ondanks medische omstandigheden
Appellant, die een WAO-uitkering ontving, werd op 18 maart 2002 gedetineerd. Hij kreeg verlof van 15 tot 16 april 2002 voor ziekenhuisbezoek en werd van 17 tot 22 april opgenomen. Hoewel appellant na ontslag uit het ziekenhuis niet terugkeerde naar de inrichting Groot Bankenbosch, werd hij door de inrichting als ontvlucht beschouwd en bleef zijn vrijheidsontneming volgens de wet voortduren.
Gedaagde trok de WAO-uitkering per 18 april 2002 in omdat de vrijheidsontneming langer dan één maand duurde. Appellant betwistte dit en voerde aan dat medische redenen verhinderen terugkeer naar de inrichting. Zijn behandelend chirurg bevestigde de medische noodzaak, maar de Raad oordeelde dat dit geen einde maakte aan de rechtens bestaande vrijheidsontneming.
De voorzieningenrechter en later de Centrale Raad van Beroep verwierpen het beroep van appellant. De Raad benadrukte dat de wet vereist dat de vrijheidsontneming formeel wordt beëindigd en dat het verblijf buiten de inrichting op verlof en ziekenhuisopname steunde, waarna appellant zich feitelijk aan de executie onttrok.
De Raad oordeelde dat de intrekking van de uitkering terecht was en dat de medische situatie geen grond bood om hiervan af te wijken. Ook de gestelde strijd met het EVRM werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 18 april 2002 wordt bevestigd omdat de vrijheidsontneming voortduurde ondanks medisch verlof en ziekenhuisopname.