ECLI:NL:CRVB:2005:AT2600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch. J.G. Olde Kalter
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loondoorbetalingsverplichting en weigering ziekengeld op grond van Ziektewet en BW 7:629
De zaak betreft een geschil over de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever en de weigering van ziekengeld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Gedaagde was sinds 1 november 1999 arbeidsongeschikt en heeft gedeeltelijk en volledig haar arbeid hervat, maar viel binnen vier weken telkens weer uit. De werkgever betaalde loon door tot 30 oktober 2000 en daarna op grond van de CAO en ziekteperiodes.
Het Uwv weigerde ziekengeld op grond van artikel 29 van Pro de Ziektewet omdat de werkgever volgens hen nog verplicht was loon door te betalen. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering, waarna het Uwv hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op basis van jurisprudentie sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid als een werknemer binnen vier weken na hervatting weer uitvalt. Dit betekent dat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever niet opnieuw begint bij de nieuwe ziekteperiode van 24 september 2001. De weigering van ziekengeld was daarom onterecht. De Raad bevestigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever doorloopt en dat de weigering van ziekengeld onterecht was.