ECLI:NL:CRVB:2005:AT2692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verwijtbare werkloosheid wegens niet hervatten passend werk na hersteldverklaring
Appellant, werkzaam bij een werkgever, meldde zich ziek en werd per 1 juni 2000 arbeidsgeschikt verklaard voor ploegendienst, maar hervatte dit werk niet. Hoewel hij bereid was ander licht werk te verrichten, ging hij niet in op door de werkgever aangeboden aangepaste functies in dagdienst. Gedaagde (UWV) weigerde de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook de Centrale Raad van Beroep bevestigde dat appellant zonder deugdelijke grond zijn eigen arbeid niet heeft hervat en passende arbeid door eigen toedoen niet heeft behouden. De Raad vernietigde het bestreden besluit echter voor zover het was gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag (artikel 24, tweede lid, WW).
De Raad handhaafde de weigering van de WW-uitkering op basis van artikel 24, eerste lid, WW, omdat appellant niet op de aangeboden passende arbeid was ingegaan. Daarnaast werd het beroep tegen het besluit tot ontzegging van de WW-uitkering per 23 augustus 2001 ongegrond verklaard, omdat appellant inmiddels een Ziektewet- en WAO-uitkering ontving. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellant passende arbeid niet heeft behouden.