ECLI:NL:CRVB:2005:AT3069

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5448 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. II Verdrag sociale zekerheid Nederland-CanadaArt. XII Verdrag sociale zekerheid Nederland-CanadaArt. XIII Verdrag sociale zekerheid Nederland-CanadaArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens niet-verzekerd zijn onder Canadese pensioenwetgeving

Appellant, geboren in 1937, werkte in Nederland tot 1969 en verhuisde daarna naar Canada waar hij als zelfstandige werkte. Hij vroeg in 1999 een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid die in 1992 ontstond. Gedaagde stelde vast dat appellant in 1992 geen bijdragen betaalde aan het Canada Pension Plan (CPP), wat volgens het Verdrag tussen Nederland en Canada een vereiste is voor aanspraak op Nederlandse uitkering.

Appellant voerde aan dat hij verzekerd was via de Workers Compensation Board (WCB) van British Columbia, maar de Raad oordeelde dat deze verzekering niet onder het CPP valt zoals bedoeld in het Verdrag. Ook kon appellant geen rechtmatig vertrouwen ontlenen aan een eerdere brief waarin een geprorateerde uitkering werd genoemd, omdat daarin een duidelijk voorbehoud was opgenomen.

De Raad bevestigde het besluit van gedaagde om de uitkering te weigeren en verwierp het hoger beroep. De uitspraak benadrukt dat alleen personen die verzekerd zijn onder het CPP of de daaraan verbonden regelingen aanspraak kunnen maken op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering volgens het Verdrag.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens het ontbreken van verzekering onder het Canada Pension Plan op het moment van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

02/5448 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Canada), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft C.F.J. van den Heuvel te Rotterdam, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2002, nr. AWB 02/1293 WAZ, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 februari 2005, waar appellant – met kennisgeving – niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
II. MOTIVERING
Appellant is geboren [in] 1937 en heeft vanaf 1955 tot in 1969 in Nederland werkzaamheden in loondienst verricht. In of omstreeks april 1969 is appellant verhuisd naar Canada, alwaar hij sindsdien woont. In Canada is appellant vervolgens werkzaam geweest als zelfstandige. Blijkens een opgave van het Canadese uitvoeringsorgaan heeft appellant bijdragen betaald voor het Canada Pension Plan (hierna: CPP) over de jaren 1969 tot en met 1982, 1988, 1997 en 1998.
In augustus 1999 heeft appellant via het Canadese uitvoeringsorgaan een aanvraag ingediend voor een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met arbeidsongeschiktheid die op 8 januari 1992 zou zijn ingetreden na een val op het ijs tijdens werkzaamheden aan een vrachtwagen. Bij brief van 16 november 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van 5 oktober 1998 in principe recht heeft op een geprorateerde uitkering ingevolge de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetgeving voor zelfstandigen. Tevens is aan appellant verzocht diverse formulieren in te vullen en te retourneren. Vervolgens heeft gedaagde bij brief van 1 februari 2001 aan appellant nadere informatie gevraagd over zijn bijdragen aan het CPP, omdat was gebleken dat hij in het jaar waarin zijn arbeidsongeschiktheid is ingetreden geen bijdragen aan het CPP heeft betaald. Bij brief van 18 maart 2001 heeft appellant een overzicht van zijn bijdragen aan het CPP aan gedaagde verzonden, waaruit blijkt dat hij vanaf 1989 tot en met 1996 geen bijdragen aan het CPP heeft betaald.
Bij besluit van 24 april 2001 heeft gedaagde geweigerd een uitkering ingevolge de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetgeving voor zelfstandigen aan appellant toe te kennen, omdat appellant ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid op 8 januari 1992 niet verzekerd was ingevolge de Canadese wetgeving inzake pensioenen, zijnde het CPP. Daarbij is overwogen dat appellant op grond van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada van 26 februari 1987 (Trb. 1987, 66 en Trb. 1989, 115; hierna: het Verdrag) aanspraak zou kunnen maken op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering als hij op het moment van intreden van zijn arbeidsongeschiktheid verzekerd was ingevolge de Canadese wetgeving inzake pensioenen.
Bij beslissing op bezwaar van 31 augustus 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 24 april 2001 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant in 1992 niet onderworpen was aan het CPP omdat hij in dat jaar geen contributie heeft betaald aan het CPP. Het feit dat appellant toen wel verzekerd was voor de gevolgen van arbeidsongeschiktheid bij de Workers Compensation Board of British Columbia (WCB) kan hieraan volgens gedaagde niet afdoen, nu in het Verdrag alleen het CPP is vermeld als relevante wetgeving en de WCB-uitkering niet beschouwd kan worden als pensionabel inkomen in de zin van het CPP.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende recht is gedaan aan artikel II, eerste lid, sub a.ii van het Verdrag, waarin als wetgeving waaraan een betrokkene voor een aanspraak op uitkering met toepassing van het Verdrag onderworpen dient te zijn, ten tijde van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, is vermeld het CPP en “de krachtens deze wet getroffen regelingen”. Appellant meent dat zijn verzekering bij de WCB als een zodanige regeling aangemerkt moet worden. Verder is opgemerkt dat appellant vanaf zijn 64e verjaardag een uitkering ontvangt van het CPP. Ten slotte is aangevoerd dat gedaagde verwachtingen heeft gewekt bij appellant door de brief van 16 november 2000, welke gehonoreerd dienen te worden.
De Raad overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat appellant uitsluitend met toepassing van het Verdrag aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Nederlandse wetgeving, nu hij ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid al vele jaren niet meer verzekerd was in Nederland.
Ingevolge artikel XII van het Verdrag kan een onderdaan van Nederland of Canada, wanneer hij ten tijde van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid onderworpen was aan de in artikel II, eerste lid, sub a.ii van het Verdrag vermelde wetgeving en hij voordien tenminste in totaal twaalf maanden krachtens de Nederlandse wetgeving verzekerd is geweest, aanspraak maken op een uitkering krachtens de Nederlandse wetgeving en berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel XIII van het Verdrag. Artikel II, eerste lid, sub a.ii vermeldt: het CPP en de krachtens deze wet getroffen regelingen.
In zijn uitspraak van 23 september 1998 (gepubliceerd in RSV 99/37), gewezen in een soortgelijk geding, heeft de Raad vastgesteld dat personen van 18 tot 70 jaar die in Canada werkzaam zijn als werknemer of zelfstandige onder de dekking van het CPP vallen mits zij een bepaald minimuminkomen verwerven. Personen met een inkomen beneden dat minimum betalen geen premie (contribution) en zijn geen contributor. Verder heeft de Raad toen overwogen dat uitsluitend een contributor geacht kan worden onderworpen te zijn aan het CPP als bedoeld in artikel XII. Nu vaststaat dat appellant in het jaar 1992, evenals in de daaraan direct voorafgaande jaren, geen contributor was
-zoals hiervoor bedoeld- moet geconcludeerd worden dat appellant op het tijdstip waarop zijn arbeidsongeschiktheid is ingetreden niet onderworpen was aan het CPP.
Voorts is de Raad van oordeel dat op basis van de thans beschikbare gegevens niet geconcludeerd kan worden dat de - volgens appellant verplichte - verzekering bij de WCB aangemerkt moet worden als een regeling getroffen krachtens het CPP, als bedoeld in artikel II van het Verdrag. Door appellant zijn geen gegevens overgelegd waaruit afgeleid kan worden dat de verzekering bij de WCB op een dergelijke regeling is gebaseerd.
Ten slotte is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant aan de brief van gedaagde van 16 november 2000 niet een rechtens te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat hem een geprorateerde arbeidsongeschiktheidsuitkering zou worden toegekend. In de brief wordt immers een duidelijk voorbehoud gemaakt, zodat niet kan worden gezegd dat de brief een onvoorwaardelijke en ongeclausuleerde toezegging bevat.
Uit het voorgaande volgt dat, op basis van de thans beschikbare gegevens, gedaagde terecht heeft geweigerd aan appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Nederlandse wetgeving toe te kennen. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.D.A. Bos.
MR