ECLI:NL:CRVB:2005:AT3073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling aflossingscapaciteit en weigering afzien van terugvordering bijzondere bijstand
Appellante ontving in 1997 een geldlening bijzondere bijstand voor woninginrichting van f 9.000,--, met aflossingsverplichting vanaf juni 1997. De gemeente Almere stelde in 1999 vast dat appellante niet had afgelost en vorderde terugbetaling, waarbij een maandelijkse aflossing werd vastgesteld.
In 2001 stelde de gemeente de aflossingscapaciteit vast op f 120,-- per maand en weigerde zij toepassing van verruimingsregels en het beperken van de terugvordering tot drie jaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het gemeentelijk beleid als redelijk werd beoordeeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de gemeente bij haar besluit niet eerst heeft onderzocht of aan de voorwaarden van artikel 78c, eerste lid, Abw was voldaan, die een wettelijke grondslag vormen voor het afzien van terugvordering. Aangezien appellante niet voldeed aan deze voorwaarden, was de gemeente niet bevoegd af te zien van terugvordering.
Daarom vernietigt de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank, behoudt de rechtsgevolgen van het besluit en veroordeelt de gemeente in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van de gemeente Almere tot vaststelling van aflossingscapaciteit en weigering van afzien van terugvordering wordt vernietigd.