ECLI:NL:CRVB:2005:AT3117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente Breda
Appellante ontving vanaf 10 december 1998 een bijstandsuitkering van de gemeente Breda, die per 15 mei 2002 werd beëindigd vanwege inkomsten uit arbeid. Na een onderzoek van de Afdeling Fraudebestrijding rees het vermoeden dat appellante haar hoofdverblijf niet in Breda had, maar in een andere gemeente. Op basis van verklaringen, getuigenverklaringen en administratief onderzoek concludeerde de gemeente dat appellante haar hoofdverblijf in de periode van 10 december 1998 tot 16 mei 2002 niet in Breda had.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. De Raad hechtte zwaar aan de verklaring van appellante tegenover de sociaal rechercheur en aan getuigenverklaringen, ondanks dat appellante in de gemeentelijke basisadministratie in Breda stond ingeschreven. Appellante had haar hoofdverblijf niet gemeld en daarmee haar inlichtingenplicht geschonden.
Op grond van de Algemene bijstandswet was de gemeente dan ook bevoegd om de bijstand over de betreffende periode in te trekken en terug te vorderen. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zoals onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen, zijn niet gebleken. Het hoger beroep slaagt niet en de uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt bevestigd.