ECLI:NL:CRVB:2005:AT3369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.G. Treffers
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens onjuiste vaststelling gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1983 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Na een anonieme melding over samenwoning en werkzaamheden, onderzocht de gemeente Amsterdam de rechtmatigheid van de bijstand. De gemeente besloot de bijstand over twee periodes in te trekken en terug te vorderen wegens verzwegen samenwoning en inkomsten.
De Centrale Raad oordeelt dat voor de periode van 1 maart 1997 tot 31 oktober 1998 onvoldoende feitelijke grondslag bestaat om van een gezamenlijke huishouding te spreken. Hoewel appellant en zijn partner samen een auto hadden en een week samen op vakantie gingen, is er geen bewijs van wederzijdse verzorging of financiële verstrengeling die verder gaat dan het delen van woonlasten. Het besluit over deze periode wordt daarom vernietigd.
Voor de periode van 1 november 1998 tot 7 maart 1999 oordeelt de Raad dat appellant werkzaamheden verrichtte in een zonnecentrum zonder hierover inkomsten te melden, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en is de intrekking en terugvordering over deze periode terecht. De Raad handhaaft deze rechtsgevolgen.
De Raad veroordeelt de gemeente Amsterdam tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant. De gemeente dient een nieuw besluit te nemen over de periode waarin het besluit is vernietigd.
Uitkomst: Besluit intrekking en terugvordering bijstand over 1 maart 1997 tot 31 oktober 1998 vernietigd, intrekking over 1 november 1998 tot 7 maart 1999 gehandhaafd.