ECLI:NL:CRVB:2005:AT3373
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering met passende functies en juiste mate van arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als spoeldraaier en schoonmaker, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid door klachten aan linkerknie en linkerelleboog. Na diverse herzieningen werd per 1 januari 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35%. Appellant betwistte deze inschatting en voerde aan dat zijn medische beperkingen werden onderschat.
De Raad baseerde zich op medische rapporten, waaronder die van de bezwaarverzekeringsarts en de behandelend orthopedisch chirurg, en concludeerde dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Ook achtte de Raad de voorgehouden functies passend en vond dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet was onderschat.
De rechtbank had eerder het beroep van appellant ongegrond verklaard voor de herziening per 1 januari 2002 en niet-ontvankelijk voor de herziening per 1 juni 2002. De Raad bevestigde deze uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep van appellant werd daarmee verworpen.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering per 1 januari 2002 wordt bevestigd met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en passende functies.