ECLI:NL:CRVB:2005:AT3926

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1256 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting psychische beperkingen

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat haar WAO-uitkering herzag tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% per 29 april 2000. De rechtbank had dit besluit eerder bevestigd, waarbij zij zich baseerde op een psychiatrisch rapport van deskundige N. van Loenen en een uitgebreide motivering omtrent de geschiktheid van drie functies voor appellante.

In hoger beroep betoogt appellante dat zij psychisch forser beperkt is dan aangenomen door het Uwv en de rechtbank. De Centrale Raad van Beroep overweegt echter dat de deskundige Van Loenen geen bezwaren had tegen de drie functies en dat de toelichting van de verzekeringsarts overtuigend is. Er is geen aanleiding om het besluit te vernietigen op grond van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad benadrukt dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige in beginsel wordt gevolgd en dat appellante geen nieuwe medische informatie heeft aangeleverd die het oordeel zou kunnen wijzigen. Daarom bevestigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/1256 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Mr. G.A.M. van Dijk, advocaat te Alkmaar, heeft als gemachtigde van appellante hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 januari 2003, nummer AWB 01/73 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 1 maart 2005, waar partijen, zoals kort tevoren was bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 4 december 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een eerder besluit van 18 april 2000, waarbij appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 29 april 2000 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde de fysieke en psychische beperkingen in de belastbaarheid van appellante niet heeft onderschat. Wat betreft de psychische beperkingen heeft de rechtbank haar oordeel doen steunen op een op haar verzoek uitgebracht rapport van 8 april 2002 van de psychiater N. van Loenen.
Voorts heeft de rechtbank met betrekking tot de drie functies, waarop de schatting in bezwaar is gaan berusten, uitvoerig gemotiveerd waarom zij die functies voor appellante geschikt acht.
In hoger beroep is namens appellante het standpunt ingenomen dat zij met name in psychisch opzicht door ziekte of gebrek forser beperkt is dan gedaagde en de rechtbank hebben aangenomen.
De Raad overweegt het volgende.
In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen.
Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.
Met name doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde medicus blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen.
Voorts is de Raad van oordeel dat het door de deskundige Van Loenen verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. Bovendien heeft appellante in hoger beroep geen medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op appellantes medische situatie.
Wat betreft de drie functies, waarop de schatting berust, overweegt de Raad dat de deskundige Van Loenen heeft geoordeeld dat tegen die functies vanuit zijn vakgebied geen bezwaren bestaan. Wat betreft de markeringen bij het reiken in twee functies acht de Raad, evenals de rechtbank, de door de verzekeringsarts gegeven toelichting voldoende overtuigend.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.