ECLI:NL:CRVB:2005:AT4311

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2726 NABW + 02/2728 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige weigering bijstandsuitkering en recht op wettelijke rente

Gedaagde diende op 31 december 1998 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering, die door de gemeente Amsterdam werd afgewezen wegens vermeerd verlies van Nederlanderschap en verblijfstatus. Later trok de gemeente dit besluit in na vaststelling dat gedaagde onafgebroken de Nederlandse nationaliteit bezat, veroorzaakt door een administratieve fout van de ambassade.

De gemeente kende de bijstand alsnog toe met terugwerkende kracht, maar weigerde vergoeding van wettelijke rente over de periode dat de uitkering onterecht was onthouden. De rechtbank bepaalde dat de gemeente de wettelijke rente moest vergoeden, maar de gemeente ging hiertegen in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld en dat de verplichting tot schadevergoeding, waaronder wettelijke rente, geldt tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Dergelijke omstandigheden waren niet aangetoond, waardoor het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de gemeente aansprakelijk is voor wettelijke rente over de periode dat de bijstand onterecht werd onthouden.

Uitspraak

02/2726 NABW
02/2728 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2002, reg.nrs. 01/1517 NABW en 01/1518 WET.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 januari 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, mede gelet op de gedingstukken, uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Gedaagde heeft op 31 december 1998 een aanvraag om een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet ingediend. Bij besluit van eveneens 31 december 1998 heeft appellant die aanvraag afgewezen op de grond dat gedaagde het Nederlanderschap had verloren en geen verblijf status had. Bij besluit op bezwaar van 28 september 1999 heeft appellant het besluit van 31 december 1998 ingetrokken. Bij besluit van 8 juni 2000 heeft appellant de aanvraag om bijstand van 31 december 1998 opnieuw afgewezen.
Bij besluit op bezwaar van 2 maart 2001 (besluit 1) heeft appellant aan gedaagde over de periode van 31 december 1998 tot en met 26 januari 1999 alsnog bijstand toegekend. Daarbij heeft appellant overwogen dat - inmiddels - was gebleken dat gedaagde onafgebroken in het bezit was geweest van de Nederlandse nationaliteit en dat door een administratieve fout (van de Nederlandse ambassade te Paramaribo, Suriname) de schijn was gewekt dat dit niet het geval zou zijn.
Bij brief van 13 april 2000 heeft gedaagde, voorzover hier van belang, verzocht om vergoeding van de wettelijke rente. Bij besluit van 3 juli 2000 heeft appellant dat verzoek afgewezen. Bij besluit op bezwaar van - eveneens - 2 maart 2001 (besluit 2) heeft appellant die afwijzing gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard, het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard, besluit 2 vernietigd en bepaald dat appellant aan gedaagde de wettelijke rente vergoedt over de niet tijdig betaalde bijstandsuitkering over de periode van 31 december 1998 tot en met 26 januari 1999.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voorzover deze betrekking heeft op besluit 2. Hij heeft aangevoerd dat, gelet op de toentertijd voorhanden zijnde gegevens, niet kan worden gezegd dat de besluitvorming destijds onrechtmatig was en dat daarom vergoeding van de wettelijke rente niet aan de orde is. Dat - bij besluit 1 - het besluit van 31 december 1998 nadien niet is gehandhaafd omdat nieuwe feiten daartoe aanleiding gaven, maakt dit volgens appellant niet anders.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Van het besluit van 31 december 1998 is naar het oordeel van de Raad gebleken dat het onrechtmatig is. Appellant heeft dit besluit, waarbij gedaagdes aanvraag om bijstand werd afgewezen, immers bij het besluit van 28 september 1999 ingetrokken en
- uiteindelijk - bij besluit 1 aan gedaagde alsnog met ingang van 31 december 1998 bijstand verleend. Daarmee staat vast dat bij het besluit van 31 december 1998 aan gedaagde ten onrechte een bijstandsuitkering is onthouden.
Met de onrechtmatigheid van het besluit van 31 december 1998 is in beginsel ook de schuld van appellant met betrekking tot die onrechtmatigheid gegeven. Dit betekent dat op appellant de verplichting rust de schade te vergoeden die gedaagde heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming, behoudens indien zich bijzondere omstandigheden voordoen. Daarvan is de Raad evenwel niet gebleken. Dat appellant is teruggekomen van zijn besluit van 31 december 1998 omdat de hiervoor vermelde nieuwe feiten daartoe aanleiding gaven, kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een griffierecht van € 414,-- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
RB3105