ECLI:NL:CRVB:2005:AT4447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.M. van Male
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1996 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Na onderzoek door sociale recherche ontstond het vermoeden dat zij met haar ex-partner een gezamenlijke huishouding voerde, wat zij verzweeg. Op basis hiervan werd de uitkering beëindigd en terugvordering ingesteld.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de terugvordering gedeeltelijk gegrond voor de periode na 7 oktober 1996. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de terugvordering terecht was voor de periode van 13 september tot en met 7 oktober 1996, omdat er voldoende grondslag was voor de gezamenlijke huishouding in die periode.
De Raad verwierp het beroep dat de observaties met een videocamera in strijd zouden zijn met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, omdat de observaties proportioneel en subsidiar waren en een gegrond vermoeden van fraude bestond.
De Raad bepaalde dat het besluit tot terugvordering als één geheel moet worden beschouwd en vernietigde het eerdere besluit van 23 maart 2001 in zijn geheel. De terugvordering werd vastgesteld op € 1.187,07 voor de genoemde periode. Tevens werd de gemeente Leek veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De terugvordering van bijstandskosten wordt beperkt tot de periode van 13 september tot en met 7 oktober 1996 en het besluit van 23 maart 2001 wordt vernietigd.