ECLI:NL:CRVB:2005:AT4551

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5909 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Besluit premiedifferentiatieArt. 8:75 AwbIAO-verdrag 103
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bezwaar tegen vaststelling gedifferentieerde WAO-premie wegens complicaties zwangerschap

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda die het bezwaar tegen de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie over 2002 ongegrond verklaarde. De premie was mede gebaseerd op een WAO-uitkering toegekend aan een ex-werkneemster van appellante vanwege arbeidsongeschiktheid door complicaties bij zwangerschap en bevalling.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de oorzaak van arbeidsongeschiktheid geen rol speelt bij de premiedifferentiatie, conform eerdere jurisprudentie. Het beroep op het verbod van indirecte discriminatie wegens geslacht faalt omdat de wetgeving geen onderscheid naar geslacht maakt bij de premie of WAO-toekenning.

Appellante kon haar stelling dat artikel 4, vijfde lid, van het Besluit premiedifferentiatie een drempel vormt voor vrouwen op de arbeidsmarkt niet bewijzen. Ook het beroep op het IAO-verdrag 103 betreffende bescherming van het moederschap wordt verworpen. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en ziet geen reden tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het bezwaar tegen de vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie over 2002.

Uitspraak

03/5909 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], voorheen handelende onder de naam [oude naam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is door mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 21 oktober 2003 onder kenmerk 03/329 gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 24 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 4 maart 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 26 november 2001 tot vaststelling van de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over 2002 op 6,06%. De berekening van deze gedifferentieerde premie is mede gebaseerd op een aan een ex-werkneemster van appellante (hierna: betrokkene) ingaande 29 november 1999 toegekende WAO-uitkering. Deze uitkering is toegekend vanwege tijdens het dienstverband met appellante ontstane arbeidsongeschiktheid. Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van (complicaties bij) zwangerschap/bevalling.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het beroep terecht en op goede gronden ongegrond verklaard. Naar de Raad in zijn uitspraak van 19 december 2002, USZ 2003/87, heeft overwogen speelt de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid bij de premiedifferentiatie geen rol, mede omdat die oorzaak in de totale structuur van de arbeidsongeschiktheidswetgeving evenmin een rol speelt.
Het beroep op het verbod tot (indirecte) discriminatie op grond van geslacht slaagt niet. De hier van belang zijnde wettelijke bepalingen maken geen direct onderscheid naar geslacht. De nationale wetgeving verbiedt werkgevers tijdens sollicitaties, het aangaan en beëindigen van een arbeidsverhouding onderscheid te maken naar geslacht. De oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is noch bij de toekenning van de WAO-uitkering, noch bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie van betekenis. Appellante heeft haar stelling dat de werking van artikel 4, vijfde lid, van het Besluit premiedifferentiatie voor vrouwen een drempel opwerpt tot de toegang tot de arbeidsmarkt niet met bewijzen gestaafd. De enkele omstandigheid dat (complicaties in verband met) zwangerschap en bevalling onder omstandigheden tot arbeidsongeschiktheid (en in verband daarmee tot de toekenning van een WAO-uitkering) kunnen leiden, rechtvaardigt niet de daaraan door appellante verbonden veronderstelling dat daardoor sprake is van een in verband met de toepassing van de WAO naar geslacht afwijkend risicoprofiel dat invloed zou (kunnen) hebben op het door werkgevers te voeren personeelsbeleid ten aanzien van vrouwen.
Voor zover appellante met het vorenstaande mede beoogt een beroep te doen op artikel 4 van Pro het Verdrag 103 betreffende de bescherming van het moederschap van 28 juni 1952, Trb 1953, 129 (IAO-verdrag 103), slaagt dat beroep onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 8 september 2004 (LJN: AR 2250, USZ 2004, 333) niet.
Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding tot de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) W.J.M. Fleskens.