ECLI:NL:CRVB:2004:AR2250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling premiedifferentiatie WAO zonder onderscheid naar oorzaak arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het besluit tot vaststelling van een gedifferentieerde WAO-premie voor gedaagde vernietigde. Gedaagde stelde dat de arbeidsongeschiktheid van een werkneemster veroorzaakt was door zwangerschap, waarvoor zij geen verwijt kon worden gemaakt, en dat dit niet tot een hogere premie mocht leiden.
Appellant voerde aan dat de regeling een categorale, statistische benadering is waarbij de oorzaak van arbeidsongeschiktheid niet relevant is voor de premie. De Raad oordeelde dat deze regeling verenigbaar is met ILO Conventie 103 en dat het onderscheid naar oorzaak niet van belang is bij premieheffing. Wel gaf appellant aan het besluit niet langer te handhaven gezien het tijdsverloop.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank op andere gronden en veroordeelde appellant tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde. Hiermee werd bevestigd dat de premiedifferentiatie WAO geen onderscheid maakt naar de oorzaak van arbeidsongeschiktheid en dat dit binnen het wettelijke en verdragsrechtelijke kader past.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat voor de premiedifferentiatie WAO alleen het feit van arbeidsongeschiktheid relevant is, niet de oorzaak, en veroordeelt appellant in de proceskosten.