ECLI:NL:CRVB:2005:AT4755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en maatvrouw bij WAO-uitkering
Appellante, werkzaam als produktiemedewerkster, stelde zich na haar eerste bevalling beschikbaar voor 20 uur per week arbeid. Na ziekmelding en medische beoordelingen kende het UWV haar een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellante betwistte de vastgestelde beperkingen en de omvang van de maatvrouw, stellende dat zij meer beperkingen had en dat de maatvrouw een 37,5-urige werkweek betrof.
De rechtbank en de Raad oordeelden dat de medische rapportages zorgvuldig en voldoende waren en dat de maatvrouw terecht was vastgesteld op 20 uur per week, gezien de feitelijke arbeidsduur voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid. De Raad verwierp het argument van appellante over een medische afname van uren, omdat dit niet eerder was ingebracht en niet werd ondersteund door medische gegevens.
Het hoger beroep tegen het besluit tot herziening van de WAO-uitkering werd ongegrond verklaard. Tevens werd het hoger beroep tegen een eerder besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen een eerder besluit niet-ontvankelijk.