ECLI:NL:CRVB:2005:AT4822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld wegens vermeende benadelingshandeling niet gerechtvaardigd
Appellant, die sinds 1996 een WAO-uitkering ontving, trad in februari 1997 in dienst bij een werkgever. Na vakantie in juli 1997 verscheen hij niet meer op het werk en werd hij per 31 oktober 1997 ontslagen. Appellant stelde een loonvordering in, die uiteindelijk werd afgewezen. Hij vroeg vervolgens ziekengeld aan wegens arbeidsongeschiktheid per 1 november 1997. Gedaagde (UWV) weigerde dit ziekengeld op grond van een vermeende benadelingshandeling omdat appellant door het ontslag zijn loonaanspraken zou hebben prijsgegeven terwijl hij al arbeidsongeschikt was.
De rechtbank oordeelde dat appellant een benadelingshandeling had gepleegd maar verklaarde het beroep gegrond omdat niet was onderzocht of sprake was van verminderde verwijtbaarheid. Gedaagde handhaafde het standpunt in een nieuw besluit. De Raad oordeelt dat dit eerdere besluit is ingetrokken en dat het nieuwe besluit niet stand kan houden omdat niet is komen vast te staan dat appellant op 31 oktober 1997 al arbeidsongeschikt was. De ziekmelding vond pas plaats na ontslag en er is geen bewijs van eerdere arbeidsongeschiktheid.
Daarmee ontbreekt de grondslag voor de weigering van ziekengeld. De Raad verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit gegrond, vernietigt het besluit en beveelt een nieuw besluit op bezwaar. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering van ziekengeld wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.