ECLI:NL:CRVB:2005:AT4838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt disciplinaire straf en overplaatsing wegens seksuele intimidatie
Betrokkene, werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, werd meerdere malen beschuldigd van seksuele intimidatie jegens vrouwelijke collega’s. Na een zorgvuldig onderzoek door het hoofd van dienst, waarbij betrokkene voldoende gelegenheid tot verweer kreeg, concludeerde de Minister dat betrokkene zich schuldig had gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag. Als gevolg hiervan werd betrokkene overgeplaatst naar een lagere functie en kreeg hij een disciplinaire straf opgelegd in de vorm van inhouding van twee salarisperiodieken gedurende twee jaar.
Betrokkene stelde zich in beroep op onzorgvuldigheid van het onderzoek en ontkende het gedrag, maar de Raad oordeelde dat het onderzoek volgens het Ministerieprotocol was uitgevoerd en dat de verklaringen van meerdere collega’s het beeld van seksuele intimidatie bevestigden. De Raad verwierp betrokkene’s bezwaren over vermeende rancune en concludeerde dat het plichtsverzuim voldoende vaststond.
De Raad achtte de disciplinaire straf proportioneel gezien de ernst van het gedrag, het langdurig dienstverband en het feit dat betrokkene al eerder was berispt en gewaarschuwd. De overplaatsing naar een functie die betrokkene eerder had vervuld en dichter bij zijn woonplaats was, werd als gerechtvaardigd en niet onevenredig beoordeeld. Het hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en het hoger beroep van de Minister gegrond, waarmee de eerdere uitspraak deels werd vernietigd en deels bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de overplaatsing en disciplinaire inhouding van salaris wegens seksuele intimidatie.