ECLI:NL:CRVB:2005:AT4850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-Van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid secretaresse
Appellante, geboren in 1951, was arbeidsongeschikt verklaard met een mate van 35 tot 45% en werkte daarnaast 20 uur per week als secretaresse. Na ontslag wegens reorganisatie ontving zij een WW-uitkering en meldde zich ziek op 15 april 2002. Op 3 juni 2002 besloot het UWV dat zij niet langer ongeschikt was voor arbeid en beëindigde het ziekengeld.
Appellante maakte bezwaar en overhandigde medische rapportages ter ondersteuning van haar claim dat zij ongeschikt bleef. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef echter het oordeel dat zij geschikt was. De rechtbank bevestigde dit en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de werkzaamheden als secretaresse de maatstaf vormden en dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd. Appellante had onvoldoende medische onderbouwing geleverd om het oordeel te weerleggen.
Daarom werd het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 3 juni 2002 bevestigd. De Raad vond geen gronden om af te wijken van de eerdere besluiten en oordeelde dat het UWV terecht het ziekengeld had stopgezet.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 3 juni 2002 wordt bevestigd.