ECLI:NL:CRVB:2005:AT4851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid maatmanfunctie en aanspraak op WAO- en Ziektewetuitkering
Appellante was tot augustus 1999 werkzaam als planner/administratief medewerkster en ontving na ziekte van Crohn een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling concludeerden verzekeringsarts en arbeidsdeskundigen dat zij geschikt was voor haar maatmanfunctie, waarop het UWV de WAO-uitkering introk. Appellante maakte bezwaar en bracht medische stukken in, waaronder een brief van haar huisarts.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering vanwege onvoldoende onderzoek naar de beschikbaarheid van vergelijkbare arbeid elders, maar verklaarde het beroep tegen het besluit omtrent de Ziektewetuitkering ongegrond. In hoger beroep onderzocht de Raad of de stukken van het UWV voldoende basis boden om het standpunt te handhaven dat appellante geschikt was voor haar maatmanfunctie.
De Raad oordeelde dat het arbeidskundig rapport onvoldoende was om het standpunt te rechtvaardigen dat vergelijkbare arbeid elders beschikbaar was, bevestigde de vernietiging van het WAO-besluit en veroordeelde het UWV in proceskosten. Medisch werd vastgesteld dat appellante weliswaar een belastende chronische aandoening heeft, maar toch geschikt is voor arbeid met passende voorzieningen.
Ten aanzien van de Ziektewetuitkering vernietigde de Raad het eerdere oordeel van de rechtbank en bepaalde dat de aanspraak op ziekengeld afhankelijk is van de uitkomst van het arbeidskundig onderzoek in de WAO-procedure. Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De WAO-uitkering intrekking wordt vernietigd, het besluit tot weigering van ziekengeld wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld in proceskosten.