ECLI:NL:CRVB:2005:AT4854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning WAZ-uitkering
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een bloembollenteeltbedrijf, vroeg een WAZ-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid vanaf 15 maart 2001. Na medisch en arbeidskundig onderzoek kende het UWV hem aanvankelijk een uitkering toe op basis van 35-45% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en aanvullend onderzoek werd dit verhoogd naar 55-65%.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij stelde dat zijn medische beperkingen onderschat waren, met name vanwege slijtage aan heup en rug en de gevolgen daarvan. De Raad oordeelde dat een zorgvuldige medische beoordeling had plaatsgevonden en dat onvoldoende objectieve gegevens waren aangevoerd om het medisch oordeel te weerleggen.
Ook de arbeidskundige beoordeling werd uitvoerig getoetst. De Raad stelde vast dat het maatmaninkomen correct was vastgesteld en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid werd gebaseerd actueel en passend waren. Het verlies aan verdiencapaciteit werd berekend op circa 49,3%, wat overeenkomt met een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55-65%.
De Raad concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid niet had onderschat en geen aanleiding zag om het besluit te vernietigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld tussen 55 en 65%.