ECLI:NL:CRVB:2005:AT4873
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellant was werkzaam als productiemedewerker bij een textielafvalverwerkend bedrijf en meldde zich ziek wegens spanningsklachten gerelateerd aan een echtscheiding. Na het ontvangen van een maximale Ziektewetuitkering werd hem op 13 mei 2002 medegedeeld dat hij geen WAO-uitkering zou ontvangen.
In de bezwaarprocedure werd appellant medisch onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts die concludeerde dat appellant niet arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond, waarbij zij de bevindingen van de verzekeringsarts belangrijk achtte. In hoger beroep bracht appellant geen nieuwe medische onderbouwing naar voren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beperkingen van appellant niet zodanig waren dat hij zijn werk niet kon verrichten.
De Raad bevestigde dat geschiktheid voor het eigen werk in beginsel uitsluit dat sprake is van arbeidsongeschiktheid, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, wat hier niet het geval was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen aanleiding gezien om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk.