ECLI:NL:CRVB:2005:AT4880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering na geschiktheidstoetsing voor alternatieve functies
Appellante, geboren in 1945, meldde zich ziek wegens hartkloppingen en vermoeidheid, waarna een WAO-beoordeling plaatsvond. De verzekeringsarts stelde lichte beperkingen vast, en een arbeidskundige concludeerde dat appellante niet geschikt was voor haar eigen werk maar wel voor negen andere functies. De WAO-uitkering werd toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
Appellante voerde bezwaar aan tegen de geschiktheid voor de voorgestelde functies en stelde dat haar beperkingen groter waren dan aangenomen. Na diverse medische en arbeidskundige rapportages handhaafde het UWV het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep haar grieven herhaalde met aanvullende medische verklaringen.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en goed gemotiveerd waren, en dat de geschiktheid voor de alternatieve functies voldoende vaststond. De persoonlijke omstandigheden van appellante werden meegewogen, maar boden geen aanleiding tot vernietiging van het besluit. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de WAO-uitkering op basis van 25-35% arbeidsongeschiktheid en handhaaft de geschiktheid voor alternatieve functies.