ECLI:NL:CRVB:2005:AT4916

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2128 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475d Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdelijke aansprakelijkheid en vaststelling aflossingsbedrag bij terugvordering bijstandskosten ex-partner

Appellant is door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van een bedrag van 17.838,94 gulden, dat ten onrechte ten behoeve van zijn ex-partner aan bijstandskosten is betaald over de periode van 1 maart 1999 tot 30 november 1999. Tevens is het aflossingsbedrag vastgesteld op 563 gulden per maand met ingang van 1 juni 2001.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de vaststelling van de hoofdelijkheid en het aflossingsbedrag onjuist was. De Centrale Raad van Beroep heeft het bezwaar van appellant onderzocht en oordeelde dat de draagkracht van appellant correct was vastgesteld door eerst de toepasselijke bijstandsnorm op het inkomen in mindering te brengen, vervolgens de aanvullende premie ziekenfonds en premie uitvaartverzekering af te trekken, en daarna de helft van het resterende bedrag als aflossingscapaciteit te hanteren met een toeslag van 6% van de bijstandsnorm.

De Raad achtte het aflossingsbedrag van 563 gulden per maand redelijk en in overeenstemming met het beleid en de normen van de Nederlandse Vereniging voor Kredietwezen. Verder werden door appellant aangevoerde kosten niet meegenomen wegens gebrek aan verifieerbare gegevens. De Raad liet de grieven over de vaststelling van de gezamenlijke huishouding en de hoogte van de terugvordering buiten beschouwing. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak van de rechtbank Arnhem werd bevestigd, waarmee de hoofdelijke aansprakelijkheid en het aflossingsbedrag ongewijzigd bleven.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid en het aflossingsbedrag van 563 gulden per maand.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/2128 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 april 2003,
reg.nr. 01/2225 NABW.
Gedaagde heeft bij wijze van verweer verwezen naar het besluit op bezwaar.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 6 juni 2000 heeft gedaagde appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor terugbetaling van een bedrag van
f 17.838,94, zijnde de over de periode van 1 maart 1999 tot 30 november 1999 ten onrechte ten behoeve van zijn ex-partner, [naam ex-partner], gemaakte kosten van bijstand.
Voorts heeft gedaagde bij besluit van 31 mei 2001 het aflossingsbedrag met ingang van 1 juni 2001 op f 573,00 per maand vastgesteld.
Bij besluit van 13 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2001 ongegrond verklaard, en het aflossingsbedrag ingaande 1 juni 2001 vastgesteld op f 563,00 per maand.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 november 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gedaagde heeft blijkens de gedingstukken de draagkracht van appellant, na eerst de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm op zijn inkomen in mindering te hebben gebracht en na aftrek van de aanvullende premie ziekenfonds en premie uitvaartverzekering, vastgesteld op f 932,34. Van dit bedrag heeft gedaagde - overeenkomstig zijn beleid, neergelegd in de Beleidsnota Invordering 1998 - de helft in aanmerking genomen en daarbij - conform de normen van de Nederlandse Vereniging voor Kredietwezen - een aflossingspercentage van 6% van de toepasselijke bijstandsnorm opgeteld. Dit heeft geresulteerd in een aflossingscapaciteit ingaande 1 juni 2001 van f 563,00 per maand.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht bij de vaststelling van de draagkrachtruimte slechts rekening heeft gehouden met de aanvullende premie ziekenfonds en de premie uitvaartverzekering, aangezien met betrekking tot de overige door appellant aangevoerde kosten geen verifieerbare gegevens in het geding zijn gebracht.
Het voorgaande, mede bezien in het licht van hetgeen artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent de beslagvrije voet bepaalt, leidt de Raad tot het oordeel dat gedaagde het aflossingsbedrag ingaande 1 juni 2001 in redelijkheid op f 563,00 per maand heeft kunnen stellen. Overigens heeft appellant ter zitting verklaard dat het aflos- singsbedrag door gedaagde inmiddels is vastgesteld op € 155,00 per maand.
Volledigheidshalve merkt de Raad op dat de door appellant aangevoerde grieven tegen de vaststelling van de gezamenlijke huishouding en de hoogte van de terugvordering in onderhavige procedure buiten beschouwing dienen te blijven.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J van der Ham, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.
(get.) A.B.J van der Ham.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.