Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4950

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6595 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a, vijfde lid, WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens detentie zonder dringende redenen

Appellant ontving sinds 1993 een WAO-uitkering. In juli 2002 werd bekend dat appellant sinds 21 juni 2002 gedetineerd was. Op basis van artikel 43a, vijfde lid, WAO trok de uitvoeringsinstantie de uitkering per 21 juli 2002 in. Na vrijlating op 10 september 2002 werd de uitkering weer heropend.

Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking en stelde dat er dringende redenen waren om hiervan af te zien, omdat hij door de intrekking zijn financiële verplichtingen niet kon nakomen. De rechtbank wees het bezwaar af en bevestigde dat artikel 43a, vijfde lid, WAO dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor afwijking.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het hoger beroep zich richt op de toepassing van deze wettelijke bepaling, die sinds 1 mei 2000 geldt. Aangezien appellant gedurende de detentieperiode rechtens zijn vrijheid was ontnomen, was de intrekking terecht. De Raad verwierp ook een beroep op strijdigheid met internationaal recht en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 21 juli 2002 wordt bevestigd wegens dwingendrechtelijke toepassing bij detentie.

Uitspraak

03/6595 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2003, nr. WAO 03/114, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 8 april 2005, waar partijen – met kennisgeving – niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft met ingang van 14 januari 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekend.
In juli 2002 heeft gedaagde vernomen dat appellant vanaf 21 juni 2002 gedetineerd was. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 23 juli 2002 de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 21 juli 2002 ingetrokken op grond van artikel 43a, vijfde lid, van de WAO. Nadat was vernomen dat appellant op 10 september 2002 in vrijheid was gesteld, heeft gedaagde bij besluit van 23 september de WAO-uitkering van appellant met ingang van 10 september 2002 weer heropend.
Bij besluit van 29 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering per 21 juli 2002 ongegrond verklaard, overwegende dat artikel 43a van de WAO een dwingendrechtelijke bepaling is, zodat niet de mogelijkheid bestaat daarvan af te wijken. De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij als gevolg van de intrekking van zijn WAO-uitkering niet aan zijn financiële verplichtingen heeft kunnen voldoen. Appellant meent dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan gedaagde dient af te zien van de intrekking van de WAO-uitkering.
De Raad stelt voorop dat in dit geding ter beoordeling staat de toepassing door gedaagde van artikel 43, vijfde lid, van de WAO, welke bepaling bij de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) met ingang van 1 mei 2000 in werking is getreden. Blijkens deze bepaling wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken, indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Tussen partijen is niet in geschil dat aan appellant gedurende het tijdvak van 21 juni 2002 tot 10 september 2002 rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dit betekent dat gedaagde op grond van voornoemde bepaling de WAO-uitkering van appellant terecht vanaf 21 juli 2002 heeft ingetrokken. Daarbij wijst de Raad erop dat deze bepaling dwingendrechtelijk van aard is, zodat gedaagde daarvan in beginsel niet kan afwijken.
Voorzover in hoger beroep beoogd is een beroep te doen op strijdigheid van de Wsg met bepalingen van internationaal recht verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 juni 2004 (gepubliceerd in USZ 2004/255 en RSV 2004/298) waarin hij uitvoerig gemotiveerd als zijn oordeel heeft gegeven dat de Wsg in overwegende mate de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.