ECLI:NL:CRVB:2005:AT4950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens detentie zonder dringende redenen
Appellant ontving sinds 1993 een WAO-uitkering. In juli 2002 werd bekend dat appellant sinds 21 juni 2002 gedetineerd was. Op basis van artikel 43a, vijfde lid, WAO trok de uitvoeringsinstantie de uitkering per 21 juli 2002 in. Na vrijlating op 10 september 2002 werd de uitkering weer heropend.
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking en stelde dat er dringende redenen waren om hiervan af te zien, omdat hij door de intrekking zijn financiële verplichtingen niet kon nakomen. De rechtbank wees het bezwaar af en bevestigde dat artikel 43a, vijfde lid, WAO dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor afwijking.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het hoger beroep zich richt op de toepassing van deze wettelijke bepaling, die sinds 1 mei 2000 geldt. Aangezien appellant gedurende de detentieperiode rechtens zijn vrijheid was ontnomen, was de intrekking terecht. De Raad verwierp ook een beroep op strijdigheid met internationaal recht en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 21 juli 2002 wordt bevestigd wegens dwingendrechtelijke toepassing bij detentie.