ECLI:NL:CRVB:2005:AT5200

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3857 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WW-uitkering ondanks bezwaar over vakantiedagencompensatie

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het beroep tegen de beëindiging van zijn WW-uitkering per 9 juni 2003 ongegrond werd verklaard. Het bezwaar van appellant richt zich op het ontbreken van de mogelijkheid om rechtens opneembare vakantiedagen met behoud van uitkering over meerdere kalenderjaren binnen een werkloosheidsperiode te compenseren.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit niet ziet op de vaststelling of nabetaling van niet-genoten vakantiedagen, maar uitsluitend op de beëindiging van de WW-uitkering vanwege het aanvaarden van werkzaamheden. Hierdoor kunnen de bezwaren van appellant met betrekking tot vakantiedagen niet slagen.

De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het bezwaar ongegrond. Er zijn geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door mr. H.G. Rottier, in aanwezigheid van griffier P. Boer, op 6 april 2005.

Uitkomst: De beëindiging van de WW-uitkering per 9 juni 2003 wordt bevestigd en het bezwaar afgewezen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/3857 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag onder dagtekening 25 mei 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 03/3869 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 23 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 17 juni 2003 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hij vanaf 9 juni 2003 geen recht meer heeft op uitkering, omdat hij niet langer werkloos is.
Bij besluit op bezwaar van 29 augustus 2003 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juni 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De bezwaren van appellant zijn gericht tegen het ontbreken van de mogelijkheid om rechtens opneembare vakantiedagen met behoud van uitkering binnen een werkloosheidsperiode over meerdere kalenderjaren onderling te kunnen compenseren. De Raad stelt echter vast dat het besluit van 17 juni 2003 niet ziet op vaststelling van (niet-genoten) vakantiedagen of de nabetaling daarvan doch slechts ziet op de beëindiging van de WW-uitkering van appellant per 9 juni 2003 in verband met de aanvang van werkzaamheden. Reeds hierom kunnen de door appellant met betrekking tot de (niet-genoten) vakantiedagen aangevoerde bezwaren geen doel treffen en heeft gedaagde deze bij het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenoverwogene kan het bestreden besluit in stand blijven en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. H.G. Rottier in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) H.G. Rottier
(get.) P. Boer