ECLI:NL:CRVB:2005:AT5249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende onderzoek wachttijd arbeidsongeschiktheid
Appellant, een tuinbouwmedewerker, viel in 1996 uit wegens ziekte. Het UWV weigerde ziekengeld vanaf juni 1996 omdat appellant volgens hen weer geschikt was voor werk. Later vroeg appellant een WAO-uitkering aan, die werd afgewezen omdat de wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid niet was vervuld. De rechtbank onderschreef dit standpunt.
In hoger beroep overwoog de Raad dat het ontbreken van aanspraak op ziekengeld niet doorslaggevend is voor de beoordeling van de wachttijd. Er dient een zelfstandige beoordeling plaats te vinden op basis van alle beschikbare medische en andere gegevens. De Raad stelde vast dat het UWV onvoldoende feitelijke gegevens had verzameld om de wachttijd te beoordelen.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en gaf opdracht tot een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar de vervulling van de wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid.