ECLI:NL:CRVB:2005:AT5263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid veehoudster in maatschap
Appellante, werkzaam als veehoudster in een maatschap met haar echtgenoot en zoon, verzocht om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) wegens heupklachten. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), weigerde aanvankelijk de uitkering, maar kende deze later toe met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De rechtbank stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 45 tot 55%. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% terecht was, omdat de beoordeling was gebaseerd op een uitgebreid medisch onderzoek en een correcte inschatting van de verdiencapaciteit ten opzichte van het maatmaninkomen.
De Raad verwierp de stelling van appellante dat zij niet kon knielen, kruipen of hurken, omdat daarvoor geen medische onderbouwing was geleverd. Ook werd geoordeeld dat rekening was gehouden met haar leeftijd en dat er geen aanleiding was voor een deskundigenonderzoek. Het beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% bevestigd.