ECLI:NL:CRVB:2005:AT5320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving WAO-uitkering en weigering ziekengeld na medisch onderzoek
Appellant, werkzaam als straler/spuiter, ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na een vijfdejaars herbeoordeling in 2000 werd deze mate van arbeidsongeschiktheid gehandhaafd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, omdat hij slechts één keer door een psychiater was gezien en hij zich meer beperkt achtte dan vastgesteld.
Daarnaast meldde appellant zich in 2002 ziek vanuit een WW-uitkering, waarna een verzekeringsarts hem hersteld verklaarde voor de WAO-functies en ziekengeld werd geweigerd. Ook tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en hoger beroep ingesteld met het argument dat zijn psychische klachten waren toegenomen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, mede door aanvullend onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en informatie van de huisarts. De Raad stelde vast dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die aanleiding gaven tot een ander oordeel. De functies waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling was gebaseerd, bleven passend geacht.
De Raad bevestigde daarom zowel het besluit tot handhaving van de WAO-uitkering als de weigering van ziekengeld. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de handhaving van de WAO-uitkering en de weigering van ziekengeld.