ECLI:NL:CRVB:2005:AT5436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, een productiemedewerker met knie- en rugklachten, ontving sinds mei 2000 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na heronderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd de arbeidsongeschiktheid herzien tot 12,8%, waarna de WAO-uitkering in april 2001 werd ingetrokken.
Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking en stelde dat zijn beperkingen, waaronder linkerknieklachten en rugklachten, werden onderschat en dat hij de geselecteerde functies niet kon vervullen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond na onderzoek door een onafhankelijke orthopedisch chirurg.
In hoger beroep stelde appellant dat het deskundigenrapport onvolledig was en overhandigde hij nieuw medisch bewijs. De Raad oordeelde echter dat het oorspronkelijke onderzoek zorgvuldig was en dat het nieuwe bewijs geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. De geselecteerde functies waren passend bij de beperkingen van appellant.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de WAO-uitkering en wees het verzoek om proceskostenvergoeding en schadevergoeding af, omdat geen gronden voor vergoeding aanwezig waren.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 14 april 2001 wordt bevestigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.