ECLI:NL:CRVB:2005:AT5483

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4025 WAO + 05/1708 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:11 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende heroverweging bezwaar

Appellant had bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WAO-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Na een eerdere afwijzing en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, trok het Uwv het oorspronkelijke besluit in en nam een nieuw besluit op 25 februari 2005. Dit nieuwe besluit kwam echter niet tegemoet aan het bezwaar van appellant omdat het geen volledige heroverweging van het primaire besluit bevatte.

De Raad overwoog dat volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar tegen een primair besluit met één besluit moet worden behandeld, waarbij een volledige heroverweging en een deugdelijke motivering vereist zijn. Het besluit van 25 februari 2005 voldeed hier niet aan, omdat het slechts het eerdere besluit herroept zonder een nieuwe beslissing op de aanvraag te nemen.

Daarom vernietigde de Raad het besluit en beval dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed en werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep.

Uitkomst: Het besluit van 25 februari 2005 wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.

Uitspraak

02/4025 WAO + 05/1708 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2002, nummer 02/180 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellants gemachtigde heeft de Raad nadere brieven doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.W.A. Blind, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 18 mei 2004 aan prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater te Amsterdam, verzocht van verslag en advies te dienen. Deze deskundige heeft op 6 september 2004 rapport uitgebracht.
Partijen hebben de Raad nog nadere brieven doen toekomen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 11 maart 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 2 januari 2001 heeft gedaagde appellant een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd onder overweging dat er op en na
30 september 1996 geen periode van 52 weken aan te wijzen is gedurende welke appellant onafgebroken arbeids- ongeschikt in de zin van deze wetten is geweest. Bij beslissing op bezwaar van 6 december 2001 heeft gedaagde dat besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft appellants beroep tegen het besluit van 6 december 2001 ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft de Raad bij brief van 25 februari 2005 laten weten dat zijn standpunt is gewijzigd. Bij dit schrijven is een besluit van dezelfde datum gevoegd, waarbij gedaagde heeft besloten zijn besluiten van 2 januari 2001 en 6 december 2001 in te trekken. Gedaagde heeft daarbij aangekondigd een nieuw besluit te zullen nemen over appellants aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarbij ervan wordt uitgegaan dat appellant vanaf 30 september 1996 gedurende
52 weken arbeidsongeschikt is geweest.
Nu het besluit van 6 december 2001 bij het besluit van 25 februari 2005 is ingetrokken en laatstgenoemd besluit niet geheel aan appellants beroep tegemoet komt – daarbij is immers nog steeds geen besluit genomen over zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering per 30 september 1996 – dient het besluit van 25 februari 2005 op grond van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling van het onderhavige geding te worden betrokken.
Nu gedaagde het besluit van 6 december 2001 niet langer handhaaft, heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van (de instandlating van) dat besluit. Mede in aanmerking nemend dat appellant geen schadevergoeding heeft gevorderd, komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Met betrekking tot het besluit van 25 februari 2005 overweegt de Raad het volgende. Bij dit besluit heeft gedaagde opnieuw beslist op appellants bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2001. Daarbij is volstaan met het herroepen van laatstgenoemd besluit zonder dat opnieuw op appellants aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering is beslist. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 17 juni 2003 (USZ 2003/286 en JB 2003/244), volgt uit het stelsel van de Awb dat op het bezwaar tegen een primair besluit met één besluit worden beslist. De Raad heeft er daarbij op gewezen dat als het bezwaar ontvankelijk is, artikel 7:11 van Pro de Awb voorschrijft dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt, terwijl artikel 7:12 van Pro de Awb bepaalt dat de beslissing op het bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van het besluit op bezwaar wordt vermeld. De Raad is op grond van deze overwegingen tot het oordeel gekomen dat, gelet op de onderlinge samenhang van deze bepalingen, het in strijd met het bepaalde in de Awb moet worden geacht als op het bezwaar tegen een primair besluit met meer dan één besluit wordt beslist.
Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat bij het besluit van 25 februari 2005 geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden, zodat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Gedaagde zal opnieuw op appellants bezwaar moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand,
€ 286,13 in verband met het verslag van een deskundige en € 30,60 aan reiskosten, tezamen € 960,73 in eerste aanleg en
€ 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 23,70 aan reiskosten, tezamen € 667,70 in hoger beroep, in totaal € 1.628,43.
De Raad ziet voorts aanleiding te bepalen dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde wordt vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 25 februari 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 1.628,43, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 111,04 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2005.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M. Gunter.