ECLI:NL:CRVB:2005:AT5519
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als vervolgde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Eiseres, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in februari 2003 om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) en om toekenning van een uitkering. Zij stelde dat zij tijdens de Japanse bezetting onder meer kort was vastgehouden in een kamp en dat haar vader was afgevoerd met geweld, terwijl haar moeder overleed in die periode.
Verweerster wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat eiseres vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. Ook werd geoordeeld dat de omstandigheden waarin zij de oorlogsjaren doorbracht niet uitzonderlijk genoeg waren om haar met toepassing van artikel 3, tweede lid, WUV met de vervolgde gelijk te stellen. Eiseres was niet verschenen bij de zitting.
De Raad overwoog dat de bevoegdheid om personen met de vervolgde gelijk te stellen discretionair is en slechts terughoudend kan worden getoetst. Uit verklaringen van broers van eiseres bleek dat zij zelf geen vrijheidsberoving hadden ondergaan en dat de vader van eiseres na krijgsgevangenschap terugkeerde. De Raad vond dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden onvoldoende aansloten bij het wettelijke begrip vervolging.
Daarom verklaarde de Centrale Raad het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van erkenning als vervolgde wordt gehandhaafd.