ECLI:NL:CRVB:2005:AT5526

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4513 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens ontbreken bevestigingsgegevens

Eiseres, geboren in 1920 in het voormalig Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op basis van gezondheidsklachten door oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode.

Verweerster wees het verzoek af wegens het ontbreken van bevestigingsgegevens en omdat de gebeurtenissen niet onder de werking van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 vallen. De Raad overwoog dat algemene oorlogsomstandigheden, waaraan velen blootstonden, niet kwalificeren als direct tegen de aanvrager gerichte handelingen.

De vlucht van eiseres naar andere plaatsen op Java werd niet aangemerkt als een gebeurtenis onder de Wet, omdat deze niet plaatsvond onder levensbedreigende omstandigheden. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand kan blijven en wees een vergoeding van proceskosten af.

De Raad benadrukte dat erkenning gebonden is aan specifiek omschreven oorlogservaringen en dat het onderzoek door verweerster zorgvuldig was uitgevoerd. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O UD I G E K A M E R
04/4513 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 20 juli 2004, nr. JZ/O60/2004, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 31 maart 2005. Daar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door W. Oey te Zevenbergen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren in 1920 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2003 bij verweerster een verzoek ingediend om te worden erkend krachtens de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Eiseres heeft deze aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting en de zogenoemde Bersiap-periode
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 8 december 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, omdat omtrent de gebeurtenissen geen bevestigingsgegevens zijn verkregen, althans deze gebeurtenissen niet onder de werking van de Wet zijn te brengen.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens artikel 2 van Pro de Wet - samengevat en voorzover hier van belang - wordt onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die als burger tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht, ofwel lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen gedurende de daaraan direct aansluitend periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië die naar aard en gevolgen met eerder genoemde omstandigheden vergelijkbaar zijn.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat de aanvraag van eiseres vooral steunt op de ontwrichting van het (gezins-)leven, de armoede en de dreiging die eiseres heeft ervaren tengevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad gaat het hier evenwel om algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meer of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - welke niet zijn aan te merken als direct tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
Met betrekking tot de gestelde vlucht van eiseres van Malang naar Soerabaja en van daaruit naar elders op Java overweegt de Raad dat niet gebleken is dat deze heeft plaatsgevonden vanwege of onder levensbedreigende omstandigheden. Een zelfverkozen vlucht naar elders uit angst voor de te verwachten oorlogshandelingen, kan niet als gebeurtenis in de zin van de Wet worden aangemerkt.
Gegevens waaruit blijkt dat eiseres anderszins is blootgesteld aan oorlogsgeweld in de zin van de Wet zijn niet aanwezig. Naar van de zijde van eiseres is bevestigd, heeft het door verweerster in dit verband gedane onderzoek op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
Daarmee is zeker niet miskend dat eiseres tijdens de oorlogsjaren en de daaropvolgende Bersiap-periode leed is aangedaan, maar de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is gebonden aan specifiek omschreven oorlogservaringen.
Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dat besluit in rechte stand kan houden.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) E. Heemsbergen.