ECLI:NL:CRVB:2005:AT5551
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vervolging
Eiser, geboren in 1928 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in mei 2003 om een periodieke uitkering en een voorziening voor medische kosten op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn vader gevangen was genomen tijdens de Japanse bezetting en dat het gezin moeilijke oorlogsjaren doormaakte.
Verweerster wees de aanvraag af omdat de omstandigheden waaronder eiser leefde niet voldeden aan het wettelijke begrip vervolging, noch waren deze omstandigheden uitzonderlijk genoeg om eiser met een vervolgde gelijk te stellen. De Raad stelde vast dat eiser niet van zijn vrijheid was beroofd in de zin van de Wet en dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet vergelijkbaar waren met vervolging zoals omschreven in de Wet.
De Raad benadrukte dat de beleidsvrijheid van verweerster bij het gelijkstellen discretionair is en dat toetsing terughoudend moet zijn. De omstandigheden van eiser, zoals het vertrek naar Batavia en het ontbreken van excessief geweld bij de gevangenneming van zijn vader, waren onvoldoende om toepassing van de Wet te rechtvaardigen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 blijft in stand.