ECLI:NL:CRVB:2005:AT5889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare beëindiging dienstverband zonder onoverkomelijke bezwaren
Appellant was sinds oktober 1999 werkzaam bij ABN AMRO Bank N.V. als projectmedewerker. Na reorganisaties in 2001 en 2002 was er nauwelijks werk voor hem beschikbaar. Hij maakte gebruik van een financiële vertrekregeling en meldde zich meerdere malen ziek in overleg met zijn leidinggevende en bedrijfsarts. Uiteindelijk tekende hij een beëindigingsovereenkomst per 1 september 2002.
Appellant vroeg in april 2003 een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos werd geacht door het eigen initiatief tot beëindiging zonder onoverkomelijke bezwaren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de arbeidsrelatie niet zodanig verstoord was dat voortzetting niet van appellant kon worden verlangd.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat appellant al vóór zijn ziekmelding had besloten de vertrekregeling te accepteren. Zijn stelling dat de arbeidsrelatie ernstig verstoord was en hij anders zou zijn gebleven, acht de Raad onvoldoende aannemelijk. Het hoger beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; weigering WW-uitkering blijft in stand.