ECLI:NL:CRVB:2005:AT5914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het recht op loongerelateerde WW-uitkering bij opvolgende dienstbetrekkingen
Appellant was sinds maart 2001 in dienst bij Tedab en ontving een loongerelateerde WW-uitkering vanaf november 2000. Na ziekte en doorbetaling van salaris tot juli 2002 trad appellant in dienst bij Moervast, waarvan de arbeidsovereenkomst eindigde op 18 augustus 2002. Appellant verzocht om een WW-uitkering voor de periode 1 tot 18 augustus 2002, welke werd afgewezen omdat de dienstbetrekking bij Moervast de dienstbetrekking bij Tedab verving en geen nieuw recht op WW-uitkering was ontstaan.
De rechtbank oordeelde dat de dienstbetrekkingen niet naast elkaar konden worden uitgevoerd vanwege overlappende werktijden en een onrealistische werkweek van 80 uur. Ook concludeerde de rechtbank dat appellant de baan bij Moervast niet zou hebben aanvaard als hij niet arbeidsongeschikt was geworden bij Tedab. Hierdoor was er geen verlies aan arbeidsuren en geen nieuw recht op WW-uitkering.
In hoger beroep betwistte appellant deze conclusie, maar de Raad stelde zich achter de rechtbank. De Raad vond geen bewijs dat beide dienstbetrekkingen gelijktijdig werden uitgevoerd en wees op het ontbreken van toestemming van Tedab voor de tweede baan. Ook de civielrechtelijke verplichting om de baan bij Moervast te aanvaarden ondersteunde het oordeel dat er geen samenloop was.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees een vergoeding van proceskosten af. Daarmee blijft het standpunt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat geen nieuw recht op loongerelateerde WW-uitkering is ontstaan, ongewijzigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen nieuw recht op loongerelateerde WW-uitkering is ontstaan omdat de dienstbetrekking bij Moervast de dienstbetrekking bij Tedab verving.