ECLI:NL:CRVB:2005:AT6124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit weigering WW-uitkering wegens voorzienbaar werkloosheidsrisico
Appellante was sinds 26 maart 2001 in dienst bij Tuinbouwloonbedrijf Meta en nam op 5 november 2001 ontslag omdat haar was medegedeeld dat Meta haar activiteiten zou staken. Zij trad vervolgens in dienst bij een uitzendbureau, waar zij korter dan 26 weken werkte. De uitkeringsinstantie weigerde haar WW-uitkering per 29 april 2002 wegens verwijtbare werkloosheid, omdat zij een voorzienbaar werkloosheidsrisico had genomen door ontslag te nemen.
Appellante stelde dat Meta daadwerkelijk was opgeheven, wat zij ondersteunde met een brief van Meta en een uittreksel uit het KvK-register. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de opheffing van Meta per 14 maart 2002 vaststond en dat appellante daardoor ook bij voortzetting van haar dienstverband werkloos zou zijn geworden.
De Raad benadrukte dat het niet gaat om het wisselen van baan, maar om het voorzienbaar verhogen van het werkloosheidsrisico. Omdat er geen zekerheid was over voortzetting van het werk bij Meta en geen bewijs dat appellante het risico verwijtbaar had verhoogd, was de weigering van de WW-uitkering onterecht. De Raad veroordeelde de uitkeringsinstantie tot vergoeding van proceskosten en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot weigering van de WW-uitkering en verklaart het beroep gegrond.