ECLI:NL:CRVB:2005:AT6279
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand als alleenstaande ouder bij gezamenlijke huishouding
Appellante, die sinds maart 2000 een LAT-relatie had met haar partner, verhuisde met haar dochter naar de woning van deze partner. Zij vroeg algemene bijstand aan naar de norm voor een alleenstaande ouder. De gemeente kende haar deze bijstand toe vanaf 12 februari 2002, maar weigerde dit voor de periode daarvoor omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat appellante haar hoofdverblijf had in de woning van haar partner en dat sprake was van wederzijdse verzorging, onder meer door het gezamenlijk gebruiken van maaltijden, delen van kosten en zorg voor het huishouden.
De Raad oordeelde dat de relatie niet als een commerciële huurrelatie kon worden aangemerkt en dat de duur van de gezamenlijke huishouding niet doorslaggevend is. Hierdoor kon appellante niet als zelfstandig subject van bijstand worden beschouwd en had zij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het hoger beroep werd afgewezen en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Appellante had geen recht op bijstand als alleenstaande ouder vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar partner.