ECLI:NL:CRVB:2005:AT6671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en hoorrecht
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Gedaagde beëindigde de uitkering omdat appellant niet voldeed aan de inlichtingenplicht over zijn verblijfplaats, waardoor niet kon worden vastgesteld of hij recht had op bijstand.
Appellant stelde dat hij niet was gehoord naar aanleiding van zijn bezwaarschrift, een verplichting volgens artikel 7:2 Awb Pro. De Raad oordeelde dat gedaagde deze hoorverplichting niet was nagekomen omdat appellant nooit een uitnodiging voor een hoorzitting had ontvangen. Wel was vastgesteld dat appellant niet woonde op het opgegeven adres, wat de schending van de inlichtingenplicht bevestigde.
De Raad vernietigde het besluit en verklaarde het beroep gegrond wegens schending van de hoorplicht. Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van bijstand wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.