ECLI:NL:CRVB:2005:AT6686

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4405 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-behandeling aanvraag bijzondere bijstand wegens niet tijdig aanleveren gegevens

Appellant diende op 6 augustus 2002 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met bezoeken aan advocaten. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winsterswijk besloot de aanvraag niet te behandelen omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de gevraagde aanvullende gegevens, met name vervoersbewijzen, had aangeleverd.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het bestuursorgaan conform artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mocht besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aanvrager niet binnen de gestelde termijn de benodigde gegevens aanlevert.

De Raad benadrukte dat de gevraagde vervoersbewijzen essentieel zijn voor de beoordeling van de aanvraag en dat appellant redelijkerwijs in staat moet zijn geweest deze te overleggen. Het niet tijdig aanleveren van deze gegevens rechtvaardigt het niet-behandelen van de aanvraag. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand wordt niet behandeld wegens het niet tijdig aanleveren van de gevraagde vervoersbewijzen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4405 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winsterswijk, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 28 augustus 2003,
reg.nr. 03/129 NABW.
Op 2 oktober 2003 en 7 april 2005 heeft appellant nog nadere stukken ingediend.
Het geding is - tezamen met de gedingen in de zaken met de reg.nrs. 03/3577, 03/3579, 03/3880, 03/3881, 03/4406, 03/5105 en 03/5564 NABW - gevoegd behandeld ter zitting van 19 april 2005. Daar is appellant in persoon verschenen en heeft gedaagde zich niet laten vertegenwoordigen. Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 6 augustus 2002 bij gedaagde een aanvraag om bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met gestelde bezoeken aan advocaten tot een bedrag van € 925,30 ingediend. Deze aanvraag heeft uiteindelijk geleid tot het besluit van 6 september 2002 om de aanvraag op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet te behandelen, omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de aanvraag met de gevraagde gegevens heeft aangevuld.
Bij besluit van 16 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 6 september 2002 ongegrond verklaard, en dat besluit gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Zutphen het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van
16 januari 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Appellant is bij brief van 7 augustus 2002 in de gelegenheid gesteld tot 1 september 2002 zijn aanvraag van 6 augustus 2002 aan te vullen met onder meer vervoersbewijzen. Appellant heeft deze termijn laten verstrijken zonder de gevraagde gegevens te verstrekken.
Naar het oordeel van de Raad zijn de door gedaagde gevraagde vervoersbewijzen van belang om te kunnen bepalen of appellant voor de door hem gevraagde bijstand in aanmerking kan komen. Voorts is de Raad van oordeel dat appellant redelijkerwijs in staat moet zijn geweest om over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig te overleggen. Mocht dit laatste overigens anders zijn geweest dan had het op de weg van appellant gelegen gedaagde binnen de hem gegeven hersteltermijn hiervan op de hoogte te stellen.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) P.E. Broekman.