ECLI:NL:CRVB:2005:AT6801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor passende arbeid
Appellant was als agrarisch medewerker werkzaam en meldde zich op 7 januari 2000 ziek vanwege een hartinfarct. Per 8 januari 2001 werd hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard (15-25%) en geschikt geacht voor passende functies zoals naaisterstikster meubelbekleding. Op 11 december 2001 meldde appellant zich opnieuw ziek vanwege diverse klachten. Gedaagde besloot op 12 februari 2002 het ziekengeld te beëindigen omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, maar rechtbank en Centrale Raad van Beroep verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond. De Raad oordeelde dat de maatstaf voor arbeid de passende functies zijn die in het kader van de WAO zijn vastgesteld, waaronder de functie van naaisterstikster meubelbekleding. De medische rapporten en brieven van behandelaars boden geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad bevestigde daarmee dat appellant op en na 12 februari 2002 geschikt was voor arbeid en dus geen recht had op ziekengeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 25 mei 2005 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op ziekengeld vanaf 12 februari 2002 wegens geschiktheid voor passende arbeid.