ECLI:NL:CRVB:2005:AT6873
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.C.F. Talman
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Eiser, geboren in 1932, verzocht om een periodieke uitkering op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij baseerde zijn aanvraag op de ervaringen als kind tijdens de oorlog, waarbij zijn vader verzetsactiviteiten ontplooide, waaronder het verlenen van onderdak aan onderduikers. Eiser stelde dat hij zelf ook betrokken was bij deze activiteiten en herinnerde zich huiszoekingen door de Duitse bezetter.
Verweerster wees de aanvraag af omdat de omstandigheden waarin eiser leefde niet voldoende uitzonderlijk waren om hem gelijk te stellen met een vervolgde. Dit standpunt werd ondersteund door onderzoek van de Stichting 1940-1945 waaruit bleek dat de vader van eiser slechts gedurende een korte periode twee personen onderdak bood.
De Raad overwoog dat geen aanwijzingen waren dat de Duitse bezetter handelingen of maatregelen tegen eiser of zijn vader overwogen vanwege verzetsactiviteiten. Ook was niet gebleken van psychische belasting uit vrees voor vervolging. Eiser kon normaal deelnemen aan het dagelijks leven, zoals schoolbezoek en ziekenhuisopname. De Raad concludeerde dat de ervaringen van eiser niet vergelijkbaar zijn met vervolging en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de periodieke uitkering bevestigd.