ECLI:NL:CRVB:2005:AT6909
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.C.F. Talman
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkeringsaanvraag wegens ontbreken verblijf in Nederlands-Indië tijdens Japanse bezetting
Appellante, geboren kort na 15 augustus 1945 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een uitkering op grond van het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Het Gebaar. De aanvraag werd door het bestuur afgewezen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarde dat de aanvrager gedurende (een deel van) de periode van 8 maart 1942 tot 15 augustus 1945 in Nederlands-Indië moest hebben verbleven.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij gelet op artikel 1:2 van Pro het Burgerlijk Wetboek geacht moet worden al tijdens de zwangerschap van haar moeder in Nederlands-Indië te hebben verbleven, of dat zij op grond van een anti-hardheidsbepaling gelijkgesteld moest worden met verblijf in die periode. De Raad oordeelde dat deze argumenten geen grond boden om het besluit aan te tasten.
De Raad benadrukte dat het daadwerkelijk en persoonlijk verblijf in Nederlands-Indië gedurende de Japanse bezetting een kernvoorwaarde is voor toekenning van de uitkering. De beleidsmatige doelgroepomschrijving is niet in strijd met het regeringsbesluit over het rechtsherstel ten behoeve van de Indische Gemeenschap en overschrijdt de grenzen van redelijkheid niet.
De Raad wees ook het verzoek om vergoeding van proceskosten af en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Daarmee werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de afwijzing van de uitkering in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de uitkering wegens het ontbreken van verblijf in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting.