Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AT6909

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/800 AOR
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 BWArt. 2 ReglementArt. 3 ReglementArt. 4 ReglementArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing uitkeringsaanvraag wegens ontbreken verblijf in Nederlands-Indië tijdens Japanse bezetting

Appellante, geboren kort na 15 augustus 1945 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een uitkering op grond van het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Het Gebaar. De aanvraag werd door het bestuur afgewezen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarde dat de aanvrager gedurende (een deel van) de periode van 8 maart 1942 tot 15 augustus 1945 in Nederlands-Indië moest hebben verbleven.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij gelet op artikel 1:2 van Pro het Burgerlijk Wetboek geacht moet worden al tijdens de zwangerschap van haar moeder in Nederlands-Indië te hebben verbleven, of dat zij op grond van een anti-hardheidsbepaling gelijkgesteld moest worden met verblijf in die periode. De Raad oordeelde dat deze argumenten geen grond boden om het besluit aan te tasten.

De Raad benadrukte dat het daadwerkelijk en persoonlijk verblijf in Nederlands-Indië gedurende de Japanse bezetting een kernvoorwaarde is voor toekenning van de uitkering. De beleidsmatige doelgroepomschrijving is niet in strijd met het regeringsbesluit over het rechtsherstel ten behoeve van de Indische Gemeenschap en overschrijdt de grenzen van redelijkheid niet.

De Raad wees ook het verzoek om vergoeding van proceskosten af en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Daarmee werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de afwijzing van de uitkering in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de uitkering wegens het ontbreken van verblijf in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting.

Uitspraak

04/800 AOR
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het Bestuur van de Stichting Het Gebaar, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op bij beroepschrift uiteengezette gronden heeft appellante bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2003, nummer AWB 03/03590 BESLU. Bij die uitspraak is het beroep dat appellante had ingesteld tegen het besluit van gedaagde van 11 juli 2003 ongegrond verklaard.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 april 2005. Aldaar is namens appellante verschenen haar echtgenoot [naam echtgenoot], terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Bootsma, advocaat te Den Haag.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende.
Bij besluit van 24 maart 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2003, heeft gedaagde afwijzend beslist op de aanvraag van appellante - geboren [in] 1945 in het voormalige Nederlands-Indië - om toekenning van een uitkering ingevolge het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Het Gebaar (Stcrt. 20 november 2001, nr. 225, hierna te noemen: het Reglement). Daartoe is overwogen dat appellante niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, in samenhang met artikel 3 van Pro het Reglement gestelde voorwaarde, dat de aanvrager gedurende (een deel van) de periode van 8 maart 1942 tot 15 augustus 1945 in Nederlands-Indië heeft verbleven.
In hoger beroep is door appellante, evenals in beroep bij de rechtbank, in hoofdzaak aangevoerd dat zij weliswaar (kort) ná 15 augustus 1945 werd geboren, maar dat zij - gelet ook op het bepaalde in artikel 1:2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) - geacht moet worden al ten tijde van de zwangerschap van haar moeder verblijf te hebben gehouden in het voormalige Nederlands-Indië in de zin als bedoeld in het Reglement, althans in een situatie te hebben verkeerd die daarmee ingevolge de in het Reglement opgenomen anti-hardheidsbepaling gelijkgesteld had behoren te worden.
De Raad ziet, evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, in deze grieven geen grond om het bestreden besluit aan te tasten.
Naar de Raad al vaker, onder meer bij zijn uitspraak van 4 maart 2004, nr. 03/4046 AOR, heeft overwogen, zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de in het Reglement neergelegde doelgroepomschrijving in strijd is met hetgeen de regering bij haar besluitvorming over het rechtsherstel ten behoeve van de Indische Gemeenschap voor ogen stond dan wel anderszins de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten is gegaan.
Het daadwerkelijk en persoonlijk verblijf in Nederlands-Indië gedurende (een deel van) de Japanse bezetting geldt in dit verband als een van de kernpunten. Dit blijkt ook nog eens uit de (in de voormelde Staatscourant ook gepubliceerde) toelichting bij artikel 2, waarin onder meer is aangegeven dat dit artikel meebrengt dat de aanvrager vóór 15 augustus 1945 moet zijn geboren. In dit licht kan aan het bepaalde in het door appellante genoemde artikel van het BW voor de uitleg van Reglement geen betekenis toekomen.
Van gedaagde kan niet worden verlangd dat aan dit kernpunt - ook niet met toepassing van de in artikel 4 van Pro het Reglement vervatte anti-hardheidsbepaling - wordt voorbijgegaan.
Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2005.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.