ECLI:NL:CRVB:2005:AT6929
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.C.F. Talman
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering uitkering plaatsvervanger overleden moeder wegens verblijf in voormalig Nederlands-Indië
Appellante stelde beroep in tegen het besluit van de Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid om haar niet als plaatsvervanger van haar overleden moeder in aanmerking te brengen voor een uitkering. De moeder van appellante verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog in het voormalige Nederlands-Indië, waardoor zij niet voldeed aan het vereiste van het Reglement dat belanghebbenden in Nederland moesten zijn gevestigd tussen 10 mei 1940 en 8 mei 1945.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken en overweegt dat het Reglement een redelijke beleidsbepaling is die specifiek is gericht op slachtoffers die in Nederland woonden tijdens de oorlog. De algemene regeling voor oorlogsslachtoffers in Nederlands-Indië, zoals vastgelegd in “Het Gebaar”, vormt volgens appellante geen volwaardig alternatief, maar de Raad deelt deze mening niet.
De Raad benadrukt dat de doelgroepomschrijving in het Reglement niet in strijd is met de bedoelingen van de regering bij het rechtsherstel en dat de regeling in overleg met vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap is opgesteld. De uitkering is bedoeld voor personen die vanwege hun joodse afkomst in Nederland zijn vervolgd en/of beroofd. Daarom kan de moeder van appellante niet als belanghebbende worden aangemerkt en kan appellante niet als haar plaatsvervanger optreden.
De Raad wijst het beroep af en bevestigt het eerdere vonnis van de rechtbank. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de uitkeringsaanvraag omdat de moeder van appellante tijdens de oorlog in Nederlands-Indië verbleef en niet voldeed aan het woonplaatsvereiste.