ECLI:NL:CRVB:2005:AT7286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant voerde hoger beroep tegen de intrekking van zijn nabestaandenuitkering door de Sociale verzekeringsbank wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner. De Raad stelde vast dat appellant en zijn partner feitelijk hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat er sprake was van financiële verstrengeling en wederzijdse zorgtaken zonder vergoeding.
De Raad oordeelde dat de intrekking van de uitkering terecht was op grond van artikel 16 van Pro de Algemene nabestaandenwet (Anw), omdat het voeren van een gezamenlijke huishouding het recht op uitkering beëindigt. Tevens werd de terugvordering van teveel betaalde uitkering bevestigd, aangezien geen dringende redenen waren om hiervan af te zien.
Appellants verweer dat er slechts een commerciële relatie bestond en geen gezamenlijke huishouding werd niet aanvaard. De Raad vond de bewijslast voldoende en onderschreef het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de nabestaandenuitkering bevestigd.