ECLI:NL:CRVB:2005:AT7372
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stamrechtuitkering als inkomen in verband met arbeid onder de Toeslagenwet
Appellant ontving na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst een ontbindingsvergoeding die hij gebruikte voor de aankoop van een stamrechtuitkering. De vraag was of deze periodieke stamrechtuitkering als inkomen in verband met arbeid in de zin van de Toeslagenwet (TW) moet worden beschouwd.
De rechtbank had geoordeeld dat de stamrechtuitkering niet viel onder de uitzondering voor eenmalige uitkeringen in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit TW. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de uitkering wel onder deze uitzondering viel, mede op basis van beleidsmededelingen en brieven van het Lisv en het ministerie.
De Raad overwoog dat de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van het Inkomensbesluit TW duidelijk maken dat alleen eenmalige uitkeringen aan de werknemer zelf worden uitgezonderd, niet de periodieke uitkeringen uit stamrecht. Beleidsregels en ambtelijke brieven kunnen deze wettelijke tekst niet wijzigen. De Raad bevestigde daarom het standpunt van gedaagde dat de stamrechtuitkering als inkomen in verband met arbeid moet worden aangemerkt en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De stamrechtuitkering wordt als inkomen in verband met arbeid aangemerkt en valt niet onder de uitzondering voor eenmalige uitkeringen.