ECLI:NL:CRVB:2005:AT7377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeende benadelingshandeling bij niet-ontbonden arbeidsovereenkomst
Appellante was sinds 1989 administratief medewerker en viel in 1999 wegens ziekte uit. Na gedeeltelijke werkhervatting legde zij haar werk eind april 2000 neer. De werkgever stopte per 1 oktober 2000 met loonbetaling. Appellante vroeg WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd geweigerd omdat geen rechtsgeldig ontslag was gegeven. Na bezwaar stelde het UWV dat appellante werkloos was geworden per 1 oktober 2000, maar weigerde de uitkering tot 1 december 2000 wegens een vermeende benadelingshandeling: het niet aanvragen van ontbinding van de arbeidsovereenkomst en daarmee het mislopen van een vergoeding over de fictieve opzegtermijn.
De Raad overwoog dat artikel 16, derde lid, van de WW en de benadelingshandeling uit artikel 24, zesde lid, alleen van toepassing zijn als de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk is beëindigd. Omdat de arbeidsovereenkomst niet was beëindigd en appellante geen loonaanspraken had prijsgegeven, kon geen sprake zijn van een benadelingshandeling. Het besluit van het UWV ontbrak daardoor aan wettelijke grondslag en werd vernietigd.
Daarnaast oordeelde de Raad dat appellante recht heeft op vergoeding van proceskosten en betaalde griffierechten. De uitspraak bevestigt dat het nalaten van ontbinding van een arbeidsovereenkomst niet zonder meer kan leiden tot een weigering van WW-uitkering op grond van benadelingshandeling als de arbeidsovereenkomst formeel voortduurt.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren wegens een vermeende benadelingshandeling wordt vernietigd omdat de arbeidsovereenkomst niet was beëindigd.